Stikstofrijenbemesting

Onder rijenbemesting wordt verstaan: geconcentreerde plaatsing van de meststof in of vlak naast de plantenrij. Dit kan plaatsing schuin onder het zaad of plantje zijn of plaatsing schuin onder, schuin boven of naast de poter. Van belang is dat de meststof zodanig wordt geplaatst dat deze enerzijds dichtbij de wortels van de planten komt te liggen en de jonge planten er al snel over kunnen beschikken, maar dat anderzijds geen zoutschade optreedt.

Voordelen

Stikstofbesparing

Rijenbemesting met stikstof kan de benutting door het gewas van de toegediende stikstofmeststof verhogen, waardoor de stikstofgift omlaag kan zonder verlies van opbrengst en kwaliteit. Of en hoeveel er kan worden bespaard, hangt af van het gewas, de bodem en de teeltwijze. Stikstofrijenbemesting biedt het meeste voordeel op gronden met een beperkte stikstoflevering, bij zwakwortelende gewassen met een hoge stikstofbehoefte tijdens de begingroei en die worden geteeld op ruime rijenafstand. Ook bij beperkte bewortelingsmogelijkheden door een slechte structuur of aaltjesaantasting, biedt rijenbemesting mogelijk voordeel.

Door rijenbemesting bij maïs kan de stikstofgift tenminste 20% worden verlaagd ten opzichte van de adviesgift bij breedwerpige bemesting.

Bij suikerbieten kan door rijenbemesting die gift gemiddeld 15% worden verlaagd ten opzichte van de adviesgift bij breedwerpige bemesting. Bij vroege zaai(maart) en dito lage temperaturen, op percelen met een hoge stikstofbehoefte, kan de besparing oplopen tot 30%. Ook bij slechte bewortelingsmogelijkheden, door bijvoorbeeld een slechte structuur, een te lage pH en/of aaltjesaantasting, lijkt een besparing van 30% mogelijk.

Voor aardappel kan op basis van de beschikbare, openbare resultaten van Nederlands onderzoek geen besparing door stikstofrijenbemesting worden aangegeven. Daarvoor zijn de in proeven gevonden effecten van stikstofrijenbemesting te wisselvallig. Een rijenbemestingsadvies voor aardappel moet mogelijk worden gedifferentieerd naar groeiomstandigheden. Dit moet nog worden ontwikkeld, op basis van (nog uit te voeren) veldonderzoek.

In andere akkerbouwgewassen gaf stikstofrijenbemesting in proeven op Nederlandse gronden geen betere benutting of zijn hiervan geen of onvoldoende proefgegevens beschikbaar om een advies op te kunnen stellen.

Op percelen waar wordt ervaren dat de gewassen structureel meer stikstof nodig hebben om de maximale opbrengst te behalen dan volgens de N-bemestingsrichtlijnen, kan proefondervindelijk worden nagegaan of stikstofrijenbemesting verbetering geeft. Oorzaken van een bovengemiddelde stikstofbehoefte zijn bijvoorbeeld een lage mineralisatie, een slechte bodemstructuur, een verzwakt wortelstelsel door aaltjesaantasting en een lage bodemtemperatuur tijdens de begingroei.

Stikstofverlies

Als meststoffen waarvan de stikstof geheel of merendeels uit ureum- en/of ammonium bestaat, met een kouter in de grond worden gebracht (geïnjecteerd), treedt vrijwel geen stikstofverlies door ammoniakvervluchtiging op. De stikstofwerking is dan vergelijkbaar met die van KAS. Bij oppervlakkige toediening is de stikstofwerking van deze meststoffen veelal lager dan van KAS, vooral op kalkrijke percelen met een hoge pH. Voor kunstmest en een reststroom als spuiwater (spuiloog) geldt weliswaar geen inwerkplicht, maar het verbetert wel de stikstofbenutting. Voor mineralenconcentraten verkregen uit drijfmest geldt, evenals voor dierlijke mest en digestaat, wel een inwerkplicht.

Bij gebruik van ammoniummeststoffen voor rijenbemesting, wordt de omzetting van ammonium in nitraat door de geconcentreerde toediening vertraagd, waardoor het risico van nitraatuitspoeling in het voorjaar wordt beperkt.

Meststofverbruik

Alleen de netto beteelde oppervlakte van het perceel wordt bemest. Er wordt geen meststof gestrooid in rijpaden. Ook zijn er geen overlappingen en strooibanen en komt er geen meststof in kanten terecht. Het meststofverbruik zal daardoor wat lager zijn.

Gewasregelmaat

De meststof wordt gelijkmatiger toegediend per plant dan bij volvelds strooien, met name bij lage doseringen en gebruik van vloeibare meststoffen. Dit bevordert de gewasregelmaat.

Toediening

Bij gelijktijdige uitvoering van rijenbemesting met het zaaien, wordt de stikstof met een kouter vijf à zes centimeter naast het zaad geplaatst (aan één kant) en ongeveer 5 centimeter dieper dan het zaad. Een dichtere plaatsing bij het zaad geeft kans op zoutschade, waardoor de opkomst lager is en/of de begingroei wordt geremd. In geval van toediening van zuurwerkende stikstofmeststoffen, met een hoog aandeel ammoniumstikstof of ureum (onder andere zwavelzure ammoniak, urean, spuiwater), is plaatsing op een afstand van ca. 8 cm naast het zaad veiliger om zoutschade te voorkomen.
Bij aardappel kan de meststof schuin onder, naast of schuin boven de poters worden geplaatst. Plaatsing recht boven de poters moet worden afgeraden, met name bij gebruik van zuurwerkende meststoffen.

Bij uitvoering van rijenbemesting in een aparte werkgang na het zaaien of planten wordt de meststof ca. 10 cm naast de zaai-/plantrij geplaatst. Met behulp van ondersteuning door RTK-GPS bij het zaaien/planten en de rijenbemesting kan de meststof nauwkeurig worden geplaatst ten opzichte van de rij.

Aandachtspunten

Door combinatie van zaaien en rijenbemesting in één werkgang, neemt het gewicht waarmee over het veld wordt gereden, toe (met name door de meststoftank en eventueel een wat zwaardere trekker). Dit kan leiden tot extra insporing.

Omdat maar een beperkte hoeveelheid meststof kan worden meegenomen, moet regelmatig worden bijgevuld. Daardoor moet vaker worden gestopt dan bij zaaien zonder rijenbemesting en kost het zaaien meer tijd.

De plaatsing van de meststof ten opzichte van de rij komt nauw. Als de meststof te dicht bij de rij komt te liggen, is er kans op zoutschade. Een goede, zorgvuldige afstelling van de kouters is daarom belangrijk.

Op met name zavel-, klei- en lössgrond kunnen onder natte omstandigheden de kouters versmering van de grond veroorzaken, als de bouwvoor onder de toplaag nog (te) nat is. Dit leidt tot structuurbederf en kan de beworteling van de planten hinderen.

Om het risico van insporing en versmering te voorkomen, zal het zaaimoment moeten worden uitgesteld als de grond voor de toepassing van rijenbemesting in het voorjaar nog te nat is.

Vloeibare meststoffen

De meeste vloeibare (stikstof)meststoffen bevatten ureum-en/of ammoniumstikstof. Voor een optimale werking is inwerken vereist, met name op kalkrijke gronden met een hoge pH. Dit kan men doen door middel van rijenbemesting.

Vloeibare meststoffen hebben als voordelen ten opzichte van korrels dat:

  • ze voor rijenbemesting gemakkelijker zijn toe te dienen en egaler in de rij zijn te verdelen dan korrelmeststoffen, met name bij lage meststofgiften;
  • dunnere toedieningskouters kunnen worden gebruikt dan voor korrels, waardoor minder grondverstoring optreedt dan bij dikkere kouters;
  • er goede, betaalbare apparatuur beschikbaar is om vloeibare meststoffen in de rij toe te dienen.

Drijfmest

Op zandgrond kan ook rijenbemesting met drijfmest worden uitgevoerd. Uit onderzoek in maïs op zandgrond bleek dat dit eenzelfde verbetering geeft van de benutting van nutriënten als bij rijenbemesting met kunstmest 1). De mest wordt daarbij aan één of aan beide zijden van de zaairij aangebracht op een afstand van 8‑10 cm en een diepte van ca. 10 cm. Combinatie in één werkgang met het zaaien is technisch mogelijk, maar heeft als bezwaar dat de zaaicapaciteit afneemt. Het is echter goed mogelijk om de rijenbemesting in een apartewerkgang uit te voeren vóór zaai met ondersteuning van RTK-GPS en in combinatie met niet-kerende grondbewerking.

Op zavel- en kleigronden geeft rijenbemesting met drijfmest vóór zaaien of poten een groter risico van structuurschade dan op zandgronden. Op löss is rijenbemesting met drijfmest in maïs (in een aparte werkgang voor zaai) wel toepasbaar en lijkt ook hier de stikstof- en fosfaatefficiency te verbeteren ten opzichte van volvelds toepassing 2). In het onderzoek op löss werd de mest met één kouter onder de zaairij aangebracht.

Ook voor rijenbemesting met drijfmest geldt dat het alleen goed mogelijk is als de grond voldoende droog is. Onder natte omstandigheden kan structuurschade optreden.

1) http://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/482759 Schröder,J.J., G.D. Vermeulen, J.R. van der Schoot, W. van Dijk, J.F.M. Huijsmans,G.J.H.M. Meufels & D.A. van der Schans, (2015). Maizeyields benefit from injected manure positioned in bands. Eur. J. Agronomy 64,p. 29-36

2) http://www.rijenbemestingzuidlimburg.nl/informatie/11/resultaten Rapportages van Praktijknetwerk Rijenbemesting Zuid-Limburg