Opheffen/tegengaan van ondergrondverdichting

Wat is ondergrondverdichting?

In de bodem komen tussen de vaste delen poriën voor. Poriën zijn belangrijk voor plantenwortels en voor transport van lucht en water door de bodem. Bij bodemverdichting, bijvoorbeeld door te hoge wiellasten, vermindert het poriënvolume. Bij een te sterke bodemverdichting neemt de doorlatendheid en het vochtbergend vermogen van de bodem af. Dit kan tot wateroverlast (bijvoorbeeld plasvorming) leiden en tot oppervlakkige afstroming, piekbelasting bij poldergemalen en tot inundatie van laag gelegen gronden. Ook wordt de grond moeilijk bewortelbaar doordat de indringweerstand voor plantenwortels te hoog wordt of omdat de luchthuishouding te slecht wordten  de gewasopbrengst afneemt. Ook is er meer kans op afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater.
Het risico op ondergrondverdichting wordt bepaald door bodemeigenschappen en het grondgebruik
Het vochtgehalte heeft een aanzienlijke invloed op de vatbaarheid voor compactie van een bodem. Vochtige klei- en leembodems worden snel gecompacteerd, droge bodems met een grove textuur minder snel. Gezien de invloed van het bodemvochtgehalte op de gevoeligheid voor compacite, varieert het risico ook grotendeels met de seizoenen. Compactie door zware machines kan tot 1 m diep gaan en meer. De meeste bodemcompactie beperkt zich echter tot ongeveer de bovenste 30 cm, waar ook de meeste wortels zitten. De graad van verdichting hangt af van de textuur, het vochtgehalte en de bodemdruk van machines.

Bij de meeste landbouwgronden is het risico op ondergrondverdichting bij het huidige landgebruik en
gebruikelijke landbouwmechanisatie groot. Een deel van die ondergronden kan waarschijnlijk door krimp en zwel en biologische processen op natuurlijke wijze (deels) herstellen. Onderzoek in de jaren 70 tot 90 van de vorige eeuw laten zien dat verdichting van de ondergrond tot flinke opbrengstderving kan leiden. Dit komt vooral tot uitdrukking in extremere jaren, zowel droog als nat. Een opbrengstderving van 20%, maar soms ook een verloren oogst, is dan mogelijk. Het in de open voor rijden tijdens het ploegen maakt het voorkomen van ondergrondverdichting onmogelijk. Het rijden in het veld met vaak een te hoge bandenspanning, die noodzakelijk is voor het rijden op de weg met snelheden boven de 30 km per uur, geeft extra risico op ondergrondverdichting. Vooral bij zelfrijdende bemesters en oogstmachines zijn de wiellasten zo groot, dat het voorkomen van ondergrondverdichting moeilijk is. Hoge indringweerstanden van de boven- of ondergrond resulteren samen of afzonderlijk tot lagere aantallen wormen per m2. Verdichting zal biologisch herstel van die verdichting dus bemoeilijken.

Preventie bodemverdichting

Maatregelen ter voorkoming van bodemverdichting zijn divers. Vooral het voorkómen van verdichting in de ondergrond vraagt veel aandacht. Maatregelen kunnen hierbij betrekking hebben op het verminderen van bodemdruk, het opheffen van plaatselijke bodemdruk en het voorkomen van bodembelasting bij ongunstige omstandigheden.

Bodemdruk

Maatregelen voor het verminderen van bodemdruk zijn juiste bandenkeuze en lage druk (zie ook: ‘Banden/bodemdruk en structuur”), grondbewerking in het voorjaar als de grond voldoende droog is en in het najaar op tijd oogsten.

Hantering van vaste rijpaden en niet-kerende grondbewerking zijn systemen om bodemverdichting te beperken. Door vaste rijpaden wordt de bodemstructuur in het tussenliggende bed gespaard. Niet‑kerende grondbewerking geeft een betere draagkracht. Door de bodem minder intensief en minder diep te bewerken, ontstaat een stabielere bodemstructuur. Ook is er minder bodemverdichting door niet ploegen en daardoor geen banden in de ploegvoor. Als ondanks een beperkter risico in een systeem met niet-kerende grondbewerking toch bodemverdichting optreedt, zal deze met een diepere bewerking (woelen) moeten worden opgeheven.

Het in de voor rijden tijdens het ploegen geeft een groot risico op ondergrondverdichting. Door ‘bovenover’ te rijden bij het ploegen (met een daarvoor geschikte ploeg) is preventie van deze ondergrondverdichting mogelijk. Bovenover ploegen maakt het ook mogelijk om bredere banden te gebruiken of eventueel rupsbanden. Om een goede aansluiting van de ploegsnedes te verkrijgen is bij bovenover ploegen RTK-GPS-besturing nodig. Een nadeel is kans op “drijven” van de trekker onder natte omstandigheden, omdat de trekker bovenop minder grip heeft dan in de voor.

Een andere mogelijkheid om te werken met een lagere bodemdruk is het gebruik van rupsen. Het principe is dat rupsbanden een groter contactoppervlak hebben dan luchtbanden, waardoor de druk van de machine beter wordt verspreid over de bodem en de druk per cm2 bodemoppervlak lager is. Als een rups een viermaal zo groot contactoppervlak heeft ten opzichte van een band, is de gemiddelde druk op de bodem vier keer lager. Dit betekent dat ook de druk minder diep de bodem ingaat.

Onder natte omstandigheden echter, heeft het gebruik van rupsen beperkingen. De rupsbanden kunnen dan gaan doorslippen met versmering en een slechter ploegresultaat tot gevolg. Bij bovenover ploegen met rupsen gaat de trekker sneller drijven dan het gebruik van een trekker met brede banden.

Meer informatie

Meer informatie over bodemverdichting en maatregelen om het tegen te gaan kunnen worden gevonden op de websites:

Met behulp van model Terranimo kan het risico van bodemverdichting worden geschat op basis van bodemkenmerken en de apparatuur waarmee de bodem wordt bereden: http://www.terranimo.dk

Verder zijn diverse filmpjes beschikbaar over bodemverdichting:

Bouwplan

Intensieve bouwplannen met veel laat ruimende rooivruchten geven extra risico op structuurschade en bodemverdichting bij de oogst. Een extensiever bouwplan geeft de grond meer rust, ook zijn er betere mogelijkheden om na maaigewassen een groenbemester te zaaien. Op lange termijn geeft een ruimer bouwplan vaak een beter rendement.

Ontwatering

Voor een goede bodemstructuur is een goede ontwatering essentieel en ook andersom. Een slecht doorlatende bovengrond geeft een slechte ontwatering en grote kans op verslemping. Door een hogere regenintensiteit moeten de bodems meer water in een korter tijd af voeren. Een goedwerkende drainage is daarom erg belangrijk om de ondergrond voldoende droog te trekken.

Opheffen storende lagen

In het geval van storende lagen hangt de aanpak af van de grondsoort. Grond > 25% slib scheurt tijdens droge perioden door het zwel en krimpvermogen van de grond. Hierdoor ontstaat een natuurlijk herstel van de storende laag. Is de grond op de diepte van de storende laag lichter (< 25% slib), dan is woelen een optie. Een woeler mag niet teveel mengen en moet niet intensiever werken dan strikt noodzakelijk. De tandvorm speelt hierbij een belangrijke rol. Woel alleen onder droge omstandigheden en zaai direct na de bewerking een diepwortelend gewas of groenbemester. Door de breuken in de grond na het woelen kan de groenbemester goed en diep wortelen. Daarom bij voorkeur in één werkgang woelen en zaaien. De beworteling zal nieuwe kleinere breukvlakken maken en voorkomt interne slemp.