Groenbemesters

N-bemestingsadviezen voor groenbemesters zijn vooralsnog niet beschikbaar. Richtlijnen voor N-bemesting worden gegeven in de Teelthandleiding groenbemesters en in de MMM brochure Groenbemesters.

Gewas N-gift (kg/ha)
Bladrammenas 40-80
Gele mosterd 30-60
Bladkool 50-80
Raaigras: Italiaans, Engels en westerwolds 40-60
Graan: winterrogge en Japanse haver 40-60
Soedangras 30-50
Klaver: rode, witte en Perzische -
Voederwikke 0-25
Facelia 40-60
Afrikaantjes (T. patula) 50-80
Raketblad 40+40
Spurrie 0-25

De benodigde stikstofgift hangt af van de groenbemestersoort, het zaaimoment en de voorvrucht. Bij zaai vóór 1 september in een N-arme uitgangssituatie geldt de bovenkant van de hierboven genoemde range en bij zaai in een N-rijke uitgangssituatie en/of late zaai de onderkant.
Bij vroege zaai (vóór 1 september) kan het gewas zich forser ontwikkelen en meer stikstof opnemen dan bij late zaai. Een vóór 1 september gezaaide groenbemester die goed aanslaat, kan (ruim) 80 kg N per ha opnemen in de bovengrondse delen, terwijl een groenbemester die in de tweede helft van september wordt gezaaid niet meer dan 40 à 50 kg N per ha opneemt. Bij zaai na 1 oktober is de N‑opname nog maar gering: ≤20 kg N per ha in de bovengrondse delen.
Bij de teelt na een hoofdgewas dat weinig stikstof nalaat in de bodem, zoals granen, is een hogere N‑gift nodig dan na een hoofdgewas dat een ruimere hoeveelheid stikstof nalaat, zoals pootaardappel.
Klaver heeft geen N-bemesting nodig, omdat het heel goed luchtstikstof bindt. Wikke bindt ook luchtstikstof maar heeft bij zaai in een graan- of graszaadstoppel een startgift stikstof nodig.

Veelal wordt organische mest toegediend na graan. Voor de hoeveelheid werkzame stikstof die hieruit beschikbaar is voor de groenbemester, kunnen de volgende werkingspercentages worden gehanteerd (werking van de totale N in de mest):

  • varkensdrijfmest: 70% bij bouwlandinjectie en 55% bij toediening met een zodebemester
  • rundveedrijfmest: 50% bij bouwlandinjectie en 35% bij toediening met een zodebemester
  • vaste kippenmesten: 40% (bij verstrooien en direct inwerken)
  • GFT-compost: 15%

Let op: de bovengenoemde gewassen kunnen als groenbemester of als stikstofvanggewas worden geteeld. Bij teelt als vanggewas wordt het niet met stikstof bemest. Een stikstofvanggewas heeft als doel de stikstof die na de oogst van het hoofdgewas nog aanwezig is, te gebruiken. Zo kan de stikstof niet uitspoelen naar het grondwater maar wordt het nog benut door het vanggewas en vervolgens na de winter door de volgende teelt.
Bij teelt als groenbemester wordt het gewas wel met stikstof bemest. De groenbemester heeft als doel de bodemstructuur te verbeteren en organische stof te leveren aan de grond.
Geef niet meer stikstof aan de groenbemester dan nodig is. Teveel stikstof wordt niet opgenomen en gaat verloren. Laat in een N-rijke uitgangssituatie de groenbemesters sowieso profiteren van de stikstof in de bodem en beperk dan de N-gift.

Uit een verterende groenbemester komt (veel) stikstof vrij. Hiermee moet rekening gehouden worden bij het vaststellen van de N-gift aan het volggewas. Zie: N-korting na onderwerken groenbemesters

Meer informatie over het belang en de teelt van groenbemesters staat op de pagina Groenbemesters.