Bodemgericht advies

In Tabel 3.1 is de waardering van de fosfaattoestand van de bodem voor de akkerbouw weergegeven op basis van het Pw-getal. Deze waardering geldt voor alle grondsoorten. Bij het bodemgerichte advies wordt gestreefd naar de toestand voldoende. Op veeljarige proefvelden is gevonden dat bij gewassen als aardappelen en bieten bij een lage fosfaattoestand met een hoge fosfaatbemesting een lagere opbrengst wordt behaald dan bij een hogere fosfaattoestand met een lagere bemesting. Dit zal zeker ook gelden voor andere fosfaatbehoeftige gewassen. In Tabel 3.2 zijn streefgetallen voor de Pw vermeld waarbij dit nadelige opbrengsteffect niet meer optreedt. Deze streefgetallen gelden alleen voor bouwplannen met aardappelen en andere fosfaatbehoeftige gewassen. In andere gevallen kan worden uitgegaan van een Pw van 20. Naast streefgetallen zijn ook Pw-trajecten genoemd waarbinnen wordt geadviseerd de toestand te handhaven (Tabel 3.2).

Indien de fosfaattoestand lager is dan het streefgetal, wordt geadviseerd deze te verhogen. In Tabel 3.3 is het advies gegeven voor de hoeveelheid fosfaat die nodig is om de fosfaattoestand op het gewenste peil te brengen.

Indien de fosfaattoestand gelijk of hoger is dan het streefgetal en niet hoger dan Pw 45, wordt geadviseerd de toestand te handhaven. Daarvoor moet gemiddeld over het bouwplan de fosfaatafvoer worden gegeven plus het onvermijdbare fosfaatverlies. Door de opbrengst van de verschillende gewassen te vermenigvuldigen met een gemiddeld fosfaatgehalte, kan de gemiddelde fosfaatafvoer worden geschat. Op akkerbouwbouwbedrijven varieert die afvoer van 40 tot 65 kg P2O5/ha/jaar, afhankelijk van de bouwplansamenstelling en de opbrengst van de gewassen. Door de grote diversiteit aan gewassen op groentenbedrijven kan voor deze bedrijven moeilijk een afvoerrange worden gegeven.

Het onvermijdbare verlies hangt af van de Pw die men wil handhaven: een hogere Pw gaat gepaard met een hoger onvermijdbaar verlies. Lopend lange-termijnonderzoek moet nog uitsluitsel geven over de precieze omvang van de onvermijdbare verliezen. Voorlopig kan worden uitgegaan van een onvermijdbaar verlies van 5 kg P2O5/ha/jaar voor handhaving van een Pw aan de onderkant van het traject waarbinnen wordt geadviseerd de toestand te handhaven (Tabel 3.2) en van 20 kg P2O5/ha/jaar voor handhaving van een Pw aan de bovenkant van dit traject.

Een fosfaattoestand die hoger is dan Pw 45, hoeft niet te worden gehandhaafd. De fosfaataanvoer mag dan lager zijn dan de afvoer plus het onvermijdbaar verlies. Als de hoge toestand daalt en in het traject tussen streefgetal en Pw 45 komt (Tabel 3.2), geldt het eerder genoemde advies om de toestand te handhaven.

Klik op de tabellen voor een vergroting

tabel 3.1.jpg
tabel 3.2 en 3.3.jpg

Opmerkingen bij Tabel 3.3

1. In verband met de soms niet geheel verklaarde nadelige effecten van grote giften fosfaat in één keer, wordt geadviseerd niet meer dan 500 kg P2O5/ha/jaar te geven.

2. Wanneer de hoofdgrondbewerking aanmerkelijk dieper is dan 25 cm, kan voor het bereiken van de gewenste toestand meer fosfaat nodig zijn dan het advies aangeeft. Dit kan ook het geval zijn op zeer kalkrijke of sterk ijzerhoudende gronden.