Gewasgericht advies bij rijenbemesting

Gewasgericht advies bij rijenbemesting

Onder rijenbemesting wordt verstaan: geconcentreerde plaatsing van de meststof in of vlak naast de plantenrij. Dit kan plaatsing schuin onder het zaad of plantje zijn of plaatsing schuin onder, schuin boven of naast de poter. Van belang is dat de meststof zodanig wordt geplaatst dat deze enerzijds dichtbij de wortels van de planten komt te liggen en de jonge planten er al snel over kunnen beschikken, maar dat anderzijds geen zoutschade optreedt.

Toediening van de fosfaatmeststof in het zaaibed of op plantdiepte is ook een vorm van geconcentreerde plaatsing, evenals toediening van meststoffen in de zaai- of pootvoor. Dit laatste is echter niet hetzelfde als rijenbemesting waarbij de meststof een aantal centimeters naast de rij wordt geplaatst. Bij zaai- of pootvoortoediening is het risico van zoutschade groter, met name bij gebruik van NP-meststoffen.

Doordat het fosfaat vlakbij de wortels komt te liggen, kunnen de jonge planten het snel opnemen, wat de (begin)groei stimuleert. Bovendien is door de geconcentreerde toediening de kans op vastlegging van het fosfaat in de bodem kleiner, omdat het veel minder met de grond wordt vermengd dan bij breedwerpige toediening.

Een positief effect van fosfaatplaatsing mag het eerst worden verwacht op gronden met een lage fosfaattoestand, op fosfaatfixerende gronden en verder bij fosfaatbehoeftige (vaak zwakwortelende) gewassen (Tabel 3.4, Tabel 3.8), teelt op ruime rijenafstand (≥50 cm) en onder omstandigheden dat de plant door een slechte wortelgroei het fosfaat moeilijk kan opnemen, zoals koude in het voorjaar of een slechte bodemstructuur. Echter ook bij hoge fosfaattoestand heeft het soms positief effect op de (begin)groei van het gewas. Niet omdat er te weinig fosfaat in de grond zit, maar omdat de plant het niet goed kan opnemen. Een betere begingroei kan zich uiten in een hogere opbrengst, maar dat is niet altijd het geval.

Gewasgericht advies voor fosfaatrijenbemesting op basis van Pw

De gewassen zijn ingedeeld in 5 gewasgroepen (de groepen 0 t/m 4) afnemend in fosfaatbehoefte. Gewasgroep 0 is vanwege de integratie van het vollegrondsgroenten- met het akkerbouwadvies extra toegevoegd aan de bestaande groepen 1 t/m 4.  Fosfaatrijenbemesting is het meest van belang voor gewassen met een hoge fosfaatbehoefte. In Tabel 3.4 zijn voor de gewassen in gewasgroep 0 en voor bonen (gewasgroep 1) de fosfaatgiften vermeld die nodig zijn om bij een bepaalde fosfaattoestand van de bodem (op basis van Pw) de economisch optimale opbrengst te bereiken met rijenbemesting. Hierbij is rekening gehouden met zowel de marktbare opbrengst als de kosten voor fosfaatkunstmest. Voor maïs (gewasgroep 1) geldt een fosfaatrijenbemestingsadvies dat is gebaseerd op P-CaCl2 en P-AL. Dit is weergegeven in Tabel 3.6.

Voor andere gewassen in gewasgroep 1 en in de gewasgroepen 2 t/m 4 geeft rijenbemesting geen betere fosfaatbenutting dan volvelds bemesting of is dit nog niet afdoende goed onderzocht. Bij de teelt van aardappel op gronden met een voldoende hoge fosfaattoestand is door fosfaatrijenbemesting geen besparing mogelijk ten opzichte van een volvelds fosfaatgift die kort vóór poten worden gestrooid. Op zandgronden met een lage fosfaattoestand lijkt bij aardappelen wel een besparing mogelijk tot 50% van de volvelds gift.

Bij zaaiui ligt het knelpunt m.b.t. de fosfaatopname vooral in de begingroeifase. Het wortelstelsel is dan nog te beperkt van omvang voor fosfaatopname. Dit is te ondervangen door een startgift met een fosfaat- of een NP-meststof in de rij toe te dienen bij zaai. Dit kan de begingroei stimuleren en verhoogt soms ook de opbrengst.
Zaaiui is in de fase van opkomst en beginontwikkeling gevoelig voor zoutschade. Dien daarom in geval van NP-meststoffen niet meer dan 20 kg N per ha in de rij toe bij zaai en dien de meststof op tenminste 5 cm afstand naast het zaad toe om het risico van zoutschade te beperken.

Klik op de tabel voor een vergroting

Tabel 3.4.jpg

Opmerkingen bij Tabel 3.4

  1. Bij twee teelten per jaar het tweede gewas bemesten met de helft van de geadviseerde hoeveelheden.
  2. Plaats het fosfaat minstens 4 cm diep in de grond. Bij ondiepere plaatsing bestaat het risico dat de meststof te droog komt te liggen en dan niet goed werkt.
  3. Uit proeven met stamslaboon en tuinboon bleek dat toediening van een NP-meststof (ammoniumfosfaat) in de rij de begingroei sterker bevordert dan alleen fosfaat in de rij en kan leiden tot een meeropbrengst. Het geeft echter ook meer risico op zoutschade en dat kan dan de opbrengst juist verlagen. Kies daarom bij NP-rijenbemesting bij boon een meststof met een laag N-gehalte en dien niet meer dan 15 kg N per ha in de rij toe.

Gewasgericht rijenbemestingsadvies op basis van P-CaCl2 en P-AL(maïs)

In Tabel 3.6 zijn de fosfaatgiften vermeld die nodig zijn voor maïs om bij een bepaalde fosfaattoestand van de bodem (op basis van P-CaCl2 in combinatie met P-AL) de economisch optimale opbrengst te bereiken met rijenbemesting.

Klik op de tabel voor een vergroting

tabel 3.6.jpg

Opmerkingen bij Tabel 3.6

1. Het gewasgerichte fosfaatadvies voor maïs, gebaseerd op P-CaCl2 en P-AL, betreft een rijenbemestingsadvies dat is uitgesplitst naar een situatie met en zonder breedwerpige fosfaatgift van 60-90 kg P2O5 per ha uit organische mest of kunstmest. Uit onderzoek is gebleken dat in de rij toegediend fosfaat een sterk effect heeft op de maïsproductie en breedwerpig toegediend fosfaat nauwelijks. De fosfaat gift in de rij is daarom bedoeld voor de gewasproductie, terwijl de breedwerpige gift meer bijdraagt aan de handhaving van de fosfaattoestand van de bodem.

2. Bij toepassing van alleen de adviesgift fosfaat in de rij, is de fosfaataanvoer lager dan de onttrekking door het gewas (voorsnijmaïs 75 kg P2O5 per ha bij een droge-stofopbrengst van 16,5 ton per ha). Voor handhaving van de fosfaattoestand van de bodem in het streeftraject (tabel 3.2) moet (in bouwplanverband) meer fosfaat worden aangevoerd. Bij hoge fosfaattoestand is dat niet noodzakelijk.

N.B.: hoewel voor maïs het gewasgericht advies is gebaseerd op P-CaCl2 en P-AL, zijn hiervoor nog geen streefwaarden voor de fosfaattoestand van de bodem opgesteld en moet voorlopig nog worden uitgegaan van Pw.

3. Indien de rijenbemesting wordt uitgevoerd met drijfmest, mag niet meer dan 35 m3 per ha worden toegediend om de mest goed in de bouwvoor te houden en niet er bovenop. De drijfmest wordt hierbij aan één of beide kanten van de zaairij op een afstand van 8-10 cm van de rij geïnjecteerd. Nauwkeurige afstelling van de machine is belangrijk, om te voorkomen dat het zaad in de drijfmest terechtkomt. Dit heeft een slechte opkomst tot gevolg. Met GPS is het mogelijk om eerst drijfmest als rijenbemesting toe te dienen en later te zaaien met eventueel nog een aanvullende rijenbemesting met kunstmest.

4. Het wordt afgeraden om tegelijkertijd met de drijfmestrijenbemesting een aanvulling met nitraathoudende stikstofkunstmest te geven, omdat daarbij het nitraat grotendeels verloren kan gaan door denitrificatie.