Bodemstructuur

Een bodem met goede fysische eigenschappen is zo opgebouwd dat er zowel kleine als grote poriën aanwezig zijn. In de kleine poriën wordt het vocht vastgehouden en de grote poriën zorgen voor voldoende toevoer van lucht en voor de afvoer van overtollig water. Daarnaast is het van belang dat groeiende wortels niet te veel weerstand ondervinden in de bodem, zodat zich een wortelstelsel kan ontwikkelen dat voldoende water en nutriënten uit de bodem op kan nemen.

Een ideale bodem bestaat voor de helft uit poriën en voor de helft uit vaste bodemdeeltjes. De verdeling tussen de bestanddelen in een ideale bodem is globaal weergegeven in volgende figuur. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen minerale delen (klei, zand, silt, etc.), organische stof (os), lucht en water.

Knelpunten op het gebied van bodemstructuur

Slemp

op lichte klei- en zavelgronden kunnen inslaande regendruppels aggregaten aan het oppervlakte uiteenslaan. De fijne kleideeltjes vervloeien daarbij, waarbij ze de poriën tussen de grovere zanddeeltjes opvullen, met korstvorming tot gevolg. Dit belemmert de uitwisseling van gassen en vocht. De korst hindert fijne wortels en jonge spruiten, met het risico op een onregelmatige en slechte opkomst van gewassen.

Verdichting

verdichting van bodems wordt veroorzaakt door het gebruik van te zware machines of door het berijden en/of bewerken van grond met onvoldoende draagkracht,  bijvoorbeeld in het voorjaar of bij de oogst. Verdichting kan leiden tot een slechte beworteling van de bodem, waardoor de opname van water en nutriënten wordt beperkt. Op zware gronden treedt vooral verdichting op in de bouwvoor, terwijl er op de lichtere gronden vooral een risico is van ondergrondverdichting, zoals ploegzoolvorming. De bewerkbaarheid neemt af door verdichting. Verder leidt verdichting kan de bodem tot een lager vochtbergend vermogen wordt ook het  watertransport naar diepere lagen belemmerd. Dit kan leiden tot een verhoogd risico van oppervlakkige afspoeling van nutriënten en gronddeeltjes.

Verstuiving

onbedekte droge zand- en dalgronden kunnen bij een forse wind gaan verstuiven door de geringe samenhang tussen de fijne bodemdeeljes aan de oppervlakte. Bodemdeeltjes, meststoffen en zaden gaan zo verloren of worden ondergestoven. Meer samenhang kan worden bereikt door:

  • het verhogen van het organische stof gehalte,
  • het stimuleren van de activiteit van bodemleven en
  • het in stand houden van fijne wortels na de oogst door niet te ploegen.

Bewerkbaarheid

De bewerkbaarheid van de bodem wordt bepaald door de draagkracht en de verkruimelbaarheid. Een verdichte bodem is minder goed en zwaarder bewerkbaar. In het voorjaar blijft een verdichte bodem langer nat en koud, waardoor hij later kan worden bewerkt.

Voor bouwland op zavel en klei wordt de bewerkbaarheid zowel bepaald door de draagkracht als de verkruimelbaarheid van de grond. Het organische stofgehalte en het vochtgehalte hebben hierop een grote invloed. Voor bouwland op zand- en dalgrond wordt de bewerkbaarheid vooral bepaald door de draagkracht van de grond. Een verdichte grond ontwatert slecht en blijft langer nat, met een verminderde draagkracht vroeg in het seizoen.

Een overzicht naar maatregelen bij  verdichting van zand en dalgronden is te vinden in  Zwart et al. Waterkwaliteit bij de wortel aangepakt. Voor kleigronden wordt een overzicht van mogelijke en maatregelen gegeven in Bussink et al. (2008, Beter waterbeheer en - kwaliteitsmanagement begint op de akker).

Het is van belang voldoende aandacht te besteden aan bodemstructuur via waarnemingen, metingen en handelingen (bekalking, organische stofbeheer, grondbewerking en vruchtwisseling).

Bodem- en structuurverbeteraars